Nieuwsarchief: bestuursrecht


Schade door overheidshandelen

22 februari 2019

Als de overheid door haar handelen schade aan u toebrengt, dan zijn situaties denkbaar waarin zij die schade moet vergoeden. Het kan zowel gaan om rechtmatig en onrechtmatig handelen. Het gaat niet alleen om besluiten, denk bijvoorbeeld aan vergunningen, maar bijvoorbeeld ook om feitelijk handelen. Het aanleggen van een weg is een voorbeeld van feitelijk handelen.   Stel u vraagt een vergunning aan en die wordt geweigerd, dan maakt u bezwaar. Wordt ook uw bezwaarschrift afgewezen, dan kunt u in beroep bij de bestuursrechter. Oordeelt de rechter dat de vergunning ten onrechte niet is verleend, dan zal hij het overheidsbesluit vernietigen. Daarmee staat in beginsel vast dat de overheid onrechtmatig jegens u handelde. De kans bestaat dat u door het onrechtmatig handelen schade hebt geleden. U kunt dan om schadevergoeding verzoeken bij de bestuursrechter (of bij de burgerlijke rechter).   Het is ook mogelijk dat een overheidsbesluit weliswaar rechtmatig is, maar dat u toch schade lijdt. Een voorbeeld is een bestemmingsplanwijziging. Het kan voorkomen dat door de wijziging van het bestemmingsplan nu opeens windmolens mogen worden gebouwd nabij uw huis. De wijziging van de bestemming kan juridisch in orde zijn, maar door de komst van windmolens wordt uw huis wellicht minder waard. U wilt dan nadeelcompensatie ontvangen, ondanks dat het besluit rechtmatig is. Soms is dat mogelijk. In de wet zijn bepalingen opgenomen over (plan)schadevergoeding, maar ook nadeelcompensatie anderszins is mogelijk.   In de hiervoor beschreven situaties gaat het om schade door besluiten, maar de overheid kan natuurlijk ook op andere manieren schade veroorzaken. Als de overheid bijvoorbeeld riolering aanlegt en u ondervindt daardoor schade aan uw woning, zo kan de woning verzakken, dan is er geen sprake van een besluit maar van feitelijk handelen. U kunt dan niet terecht bij de bestuursrechter. Wel kunt u de overheid of burgerlijke rechter verzoeken om schadevergoeding.   Er zijn nog veel meer situaties denkbaar waarin schade voor vergoeding in aanmerking komt. Heeft u vragen? Neem contact met ons op!  

Met een vergiet op je hoofd op de paspoortfoto

17 augustus 2018

‘De Kerk van het Vliegend Spaghettimonster’ had een goede titel voor een fantasierijke jeugdfilm kunnen zijn, doch heeft het volgens aanhangers van die kerk te gelden als religie dan wel levensovertuiging. De wereld zou zijn geschapen door een vliegend spaghettimonster. Een van de verplichtingen die op leden van ‘de Kerk’ rust, is het dragen van een vergiet op het hoofd. In deze zaak wilde een burger van Nijmegen een paspoort aanvragen en leverde daarvoor een foto aan, waarop zij stond afgebeeld met een vergiet op haar hoofd. Het paspoort werd haar geweigerd, omdat de foto in strijd zou zijn met art. 28 lid 3 van de Paspoortuitvoeringsregeling. In dat artikel staat dat een pasfoto kan worden geaccepteerd indien de aanvrager heeft aangetoond dat godsdienstige of levensbeschouwelijke redenen zich verzetten tegen het niet bedekken van het hoofd. De aanvraagster stelde nochtans dat zij op grond van haar geloofsovertuiging is gehouden om een vergiet te dragen.In bezwaar en beroep trok mevrouw aan het kortste eind, maar nu heeft ook de hoogste bestuursrechter haar beroep op de godsdienstvrijheid van artikel 6 van de Nederlandse Grondwet (GW) en artikel 9 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) afgewezen. Oordeel van de Afdeling Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster niet aan te merken als een godsdienst en/of levensovertuiging.[1] Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) geldt als voorwaarde voor het aanmerken van een samenstel van opvattingen als godsdienst of levensovertuiging in de zin van artikel 9 EVRM, dat die opvattingen een zeker niveau aan overtuigingskracht, ernst, samenhang en belang bereikt hebben.[2] Volgens de Afdeling voldoet de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster niet aan die criteria. De belangrijke reden daarvoor is ‘het satirische karakter van het pastafarisme’ en de wijze waarop in de leer van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster gevestigde godsdiensten geparodieerd worden. Te denken valt aan religieuze geschriften zoals The Old Pastament en The New Pastament, maar ook de wijze waarop het Paternoster met de nodige ingrediënten is gepersifleerd en de lieflijk opgestekde ‘liever-nietjes’, die volgens de Afdeling een gekscherende variant zijn op de Tien Geboden. De Afdeling stelt in haar uitspraak dat het satirische element niet enkel een bijkomend aspect is, doch zodanig overheerst dat niet voldaan wordt aan de hiervoor beschreven criteria uit de arresten van het EHRM uit 1982, 2013 en 2014. In het bijzonder zou het volgens de Afdeling ontbreken aan ernst, hetgeen zou blijken uit de parodiërende geschriften, en samenhang. Vrijheid van godsdienst Het pastafarisme wordt met verwijzing naar de jurisprudentie bij artikel 9 EVRM afgewezen, maar de Afdeling toetst niet aan de criteria die behoren tot (de jurisprudentie bij) artikel 6 GW en dat is begrijpelijk gelet op het toetsingsverbod van artikel 120 GW. Daar komt bij dat de rechter zich niet graag lijkt te mengen in religieuze geschillen of zich uit wil laten over dogmatische vraagstukken, gelet op de ‘scheiding’ tussen kerk en staat.[3] In 1957 oordeelde de Hoge Raad, kortgezegd, dat het niet de rol van de rechter is om te oordelen over theologische twistpunten, doch dat de interpretatie van het heilige schrift bij de gelovigen zelf ligt.[4] Om voor bescherming in aanmerking te komen moet het gaan om handelingen die naar objectieve maatstaven ‘rechtstreeks uitdrukking geven aan een godsdienst of levensovertuiging.’[5] Later oordeelde de grondwetgever dat de grondwettelijke bescherming van vrijheid van religie, waar in de zaak over de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster een beroep op wordt gedaan, louter mogelijk is als er sprake is van een gedraging die ‘naar objectieve maatstaven een directe uitdrukking geeft aan zijn godsdienst of levensovertuiging.’[6] Indien het niet duidelijk is of een handeling aan te merken is als een religieuze handeling die bescherming geniet, dan moet in beginsel de interpretatie die de religieuze persoon in kwestie geeft worden aanvaard. Die benadering staat ook wel te boek als de zogenaamde interpretatieve terughoudendheid: het is niet aan buitenstaanders – waaronder ook overheidsorganen moeten worden verstaan – is om te oordelen wat er onder een (afwijkende) godsdienst wordt verstaan.[7] Zusters van Sint Walburga De Hoge Raad heeft zich in het verleden weleens gebogen over de interessante vraag of een groepering is aan te merken als kerkgenootschap en de grondwettelijke bescherming moet genieten ten aanzien van de vrijheid van godsdienst. Een van die zaken, die overigens in geen enkel opzicht te vergelijken is met de zaak over de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster, is het befaamde arrest Zusters van Sint Walburga. De vraag die de Hoge Raad moest beantwoorden is de volgende: kunnen de Zusters van Sint Walburg aangemerkt worden als een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap. Zij stelden lid te zijn van de Kerk van Satan, waarbij de godsdienstuitoefening bestond uit het aanbieden betaalde liefde in een theatrale context. De ‘Zusters’ stelden zowaar godsdienstig te zijn. Op grond van artikel 123 Sv was het de politie, buiten gevallen van heterdaad, niet toegestaan om lokalen voor de godsdienstuitoefening tijdens de godsdienstuitoefening te betreden. De Hoge Raad oordeelde dat ‘de activiteiten van Sint Walburga zich niet onderscheiden van die van een gewone sexclub en dat noch bij de betalende bezoekers noch bij de door Sint Walburga als ‘zusters’ aangeduide optredende vrouwen enigerlei religieuze ervaring is waar te nemen.’[8] Rechtspersoonlijkheid De vraag of de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster een godsdienst of levensbeschouwing in de zin van de artikelen 6 GW en 9 EVRM is, is niet alleen relevant voor de godsdienstvrijheid en de daarmee gepaard gaande grondwettelijke bescherming. Het is ook relevant in privaatrechtelijk opzicht, de zogenaamde organisatievrijheid die voortvloeit uit artikel 6 GW, hetgeen onderwerp van discussie was in het hiervoor kort aangehaalde arrest-Zusters van Sint Walburga. In art. 2:2 BW is vastgelegd dat kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, rechtspersoonlijkheid bezitten. Wat een kerkgenootschap is, is in de wettekst zelf niet te lezen. In een arrest uit 1946 oordeelde de Hoge Raad dat het gaat om een organisatie ‘hetwelk zich de gemeenschappelijke gods-vereering van de leden, op den grondslag van gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen, ten doel stelt, uitspraken omtrent de leer, genomen door de daartoe bevoegde organen, ook voor de minderheid bindend zijn, doch- wel, op grond dat in zaken van godsdienst niemand aan kerkelijke regelingen of uitspraken kan worden gebonden, die dat niet wenscht, eischt, dat uittreden uit dat kerkgenootschap alsdan vrij zal staan.’[9] Is er geen sprake van gemeenschappelijke godsverering, religieuze beleving of bezinning, dan is de belijdende organisatie niet aan te merken als kerkgemeenschap.[10] Voordelen kerkgenootschap Het lijkt wellicht symbolisch, wel of geen kerkgenootschap zijn, doch heeft het zijn van geen kerkgenootschap consequenties. Zo zijn onroerende zaken die in hoofdzaak (meer dan 70%) zijn bestemd voor eredienst vrijgesteld van OZB-belasting.[11] Is er sprake van een kerkgebouw zonder openbare eredienst, dan geldt die OZB-vrijstelling overigens niet[12] Ook zijn kerkgenootschappen in bepaalde omstandigheden geen BTW verschuldigd.[13] Daarnaast is een kerkgenootschap op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming bijvoorbeeld ook uitgezonderd ten aanzien van de verwerking van bijzondere persoonsgegevens.[14] Een ander voorbeeld is de financiering van religieuze instellingen (scholen, zorginstellingen etc.) van overheidswege.[15] Resumé Deze zaak is, gelet op de voorgaande ‘voordelen’, natuurlijk veel fundamenteler. De Afdeling lijkt in haar principiële uitspraak wat scherper af te willen bakenen wat een godsdienst c.q. religie is en wat niet. Die gedachte is in het idee van een land waar kerk en staat (de facto) gescheiden zijn, al moet gezegd van een laïcité in Nederland natuurlijk geen sprake is, bijzonder te noemen. Doch is deze benadering mijns inziens niet onconstitutioneel, omdat de Afdeling met deze uitspraak in feite niet treedt in de godsdienstuitoefening (geloofsleer, dogma’s etc.) door leden van ‘de Kerk’, maar meer ingaat op de vraag wat een godsdienst of levensovertuiging in strikt juridische zin is. Het satirische karakter van de ‘heilige geschriften’ van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster en hun visie op christelijke dogma’s en de evolutietheorie geven mijns inziens te sterk, maar vermakelijk, een reactie op bestaande religies weer, dat grondwettelijke bescherming op grond van de vrijheid van religie misschien wat grotesk is. Desalniettemin, en daar is de Afdeling evident in, is er een andere vorm van grondwettelijke bescherming, te weten de vrijheid van meningsuiting, die de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster de ruimte biedt om tegen christelijke dogma’s te ageren. De appelante kreeg geen gelijk van ‘s lands hoogste bestuursrechter, maar overweegt een gang naar het Europees Hof van de Rechten van de Mens. Zij blijft er in ieder geval nog in geloven en dat is natuurlijk haar goed recht. [1] ECLI:NL:RVS:2018:2715, r.o. 9-9.4. [2] ECLI:CE:ECHR:1982:0225JUD0000751176, r.o. 36; ECLI:CE:ECHR:2013:0115JUD004842010, r.o. 82; ECLI:CE:ECHR:2014:0701JUD004383511, r.o. 55. [3] D.J. Elzinga, R. de Lange en H.G. Hoogers, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht / van der Pot, Deventer: Wolter Kluwers 2006, p. 369, 375. [4] ECLI:NL:HR:1957:196. [5] UCV 1985/86, nr. 67, p. 22-23 [6] .C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen, Commentaar op artikel 6 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2018 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 32; Hand. II 1976/77, p. 2118 [7] Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3, p. 29. [8] ECLI:NL:HR:1986:AC9553, r.o. 3. [9] ECLI:NL:1946:92, r.o. 10. [10] Kamerstukken II 1989/90, 17725, nr. 13, p. 7. [11] Artikel 220d Gemeentewet. [12] Zoekresultaat - inzien document ECLI:NL:HR:2016:1901 [13] Artikel 11 lid 1 sub t Wet op de omzetbelasting 1968. [14] Artikel 9 lid 2 onder d AVG. [15] Artikelen 5, 6a en 7 Algemene wet gelijke behandeling.

Schaarse subsidie? 'Gelijke kansen' gaan voor op rechtszekerheid!

14 augustus 2018

Bij mededingingsprocedures zijn er winners en verliezers: er is immers vaak maar een partij die de opdracht krijgt ‘gegund’, maar het speelveld moet voor alle partijen gelijk zijn. In 2016 oordeelde de hoogste bestuursrechter dat bestuursorganen het gelijkheidsbeginsel en de transparantieplicht in acht moeten nemen bij het verlenen van schaarse vergunningen.[1] In haar uitspraak van 11 juli 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) deze lijn ook doorgetrokken naar de verdeling van schaarse subsidiemiddelen.[2] Ook bij de verlening van schaarse subsidies spelen het gelijkheidsbeginsel en de transparantieplicht dus een belangrijk rol. Het bestuursorgaan moet gelijke kansen bieden aan gegadigden. Doch verdient ook de positie van het rechtszekerheidsbeginsel, in verhouding tot het gelijkheidsbeginsel, een nadere beschouwing, daar de hoogste bestuursrechter het gelijkheidsbeginsel in haar recente uitspraak laat prevaleren op het rechtszekerheidsbeginsel.   Gelijkheidsbeginsel en transparantie bij schaarse vergunningverlening Volgens de Afdeling geldt er een rechtsnorm die ertoe strekt dat bij de verdeling van schaarse vergunningen door het bestuur op enigerlei wijze aan (potentiële) gegadigden ruimte moet worden geboden om naar de beschikbare vergunning(en) mee te dingen. Deze rechtsnorm is blijkens de afdeling ‘gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen.’ Om dat gelijk speelveld te genereren, is openbaarheid met betrekking tot de (verdelings)procedure en de beschikbaarheid van schaarse vergunningen van belang. Het bestuursorgaan is volgens de Afdeling gehouden hieromtrent tijdig informatie te verstrekken en op een adequate wijze bekend te maken. Ook moet de inhoud van de verdeelregels – het moet gaan om een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige formulering – duidelijk zijn en moet het bestuursorgaan de verdelingingscriteria gelijkelijk toepassen. Zij mag daar in individuele gevallen dus niet van afwijken. Dat hangt inherent samen met het gelijkheidsbeginsel. Bij gelijke kansen hoort ook dat een vergunning nooit voor onbepaalde tijd kan worden verleend, maar louter voor bepaalde tijd. Concurrenten zijn bij een (schaarse) vergunning voor onbepaalde tijd immers (nagenoeg) uitgesloten van de markt. Aan de mededinging kunnen door het bestuursorgaan – bijv. bij gemeentelijke verordening – beperkingen worden gesteld, maar concurrentie mag niet volledig uitgesloten worden. Gelijke kansen bij schaarse subsidies In de zaak van 11 juli 2018 had een bedrijf een subsidie aangevraagd bij de provinciale overheid. De subsidieregeling bevatte een zogenaamd subsidieplafond. Op volgorde van binnenkomst zou – indien aan de voorwaarden werd voldaan – subsidie worden toegekend, doch tot het moment dat het plafond werd bereikt. Met andere woorden: wie het eerst komt, wie het eerst maalt. De aanvraag moest worden ingediend via een zogenaamd webportal, maar door technische problemen bleken de aanvragen van enkele bedrijven niet tijdig binnen te zijn. Het bestuursorgaan vond dat de inschrijvers geen gelijke en eerlijke kans hebben gehad om bovenaan de ranglijst te komen en daarom besloot het bestuursorgaan dat gegadigden zich die dag nog per mail konden melden, waarna een notaris door middel van loting de ranglijst zou vaststellen. Geen onbelangrijk detail is dat loting volgens de subsidieregeling niet mogelijk was. De mogelijkheid van loting werd echter alsnog vastgelegd in de – dus aangepaste – subsidieregeling en met terugwerkende kracht toegepast. De hoogste bestuursrechter boog zich over deze situatie en oordeelde dat uit het rechtszekerheidsbeginsel voortvloeit dat de regels voor het verdelen van de subsidie voorafgaand aan het aanvraagtijdvak vastgesteld en bekend gemaakt dienen te worden. Een wijziging met terugwerkende kracht past daar niet in.[3] Deze benadering van het rechtszekerheidsbeginsel staat in deze casus echter niet op zichzelf, want de Afdeling plaats het gelijkheidsbeginsel in dezen voor het rechtszekerheidsbeginsel. Bij de procedure ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’ heefteen aantal gegadigden geen eerlijke kans gekregen, omdat niet meer evident vastgesteld kon worden – door de technische storing in het webportal – wat de aanvraagvolgorde was. Het bestuursorgaan besloot deze procedure, met terugwerkende kracht te vervangen door een notariële loting, waardoor ‘alle aanvragers weer gelijke kansen gekregen’ aldus de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat onverkorte toepassing van het hier aan de orde zijnde rechtszekerheidsbeginsel evenwel een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel zou inhouden, waarmee de Afdeling duidelijk voorrang heeft verleend van het gelijkheidsbeginsel op het rechtszekerheidsbeginsel. Bij de verlening van schaarse subsidies dient een bestuursorgaan dus gelijke kansen te bieden aan gegadigden, waar het rechtszekerheidsbeginsel op achterstand kan blijven. Naast het bieden van gelijke kansen moet het bestuursorgaan natuurlijk de eerder beschreven transparantie omtrent de procedure waarborgen. Heeft u vragen over het verkrijgen van (schaarse) vergunningen en/of subsidies? Neem dat contact op met advocaat mr. drs. Bram Dirkx. Dat kan door een e-mail te sturen naar dirkx@putt.nl of te bellen naar 0478-556674. [1] ECLI:NL:RVS:2016:2927. [2] ECLI:NL:RVS:2018:2310, r.o. 7.1. [3] ECLI:NL:RVS:2018:2310, r.o. 7.2.


LAATSTE TWEETS