Nieuws

Burenrecht; het recht van de buurman

19 oktober 2018

Beter een goede buur dan een verre vriend, zo luidt het gezegde. Veel omwonenden kunnen goed met elkaar door een deur, maar in mijn praktijk zie ik toch regelmatig dat er geschillen zijn tussen buren. Het gaat dan vaak om kleine juridische problemen rondom het huis en de erfgrens. Er ontstaat dan veelal een welles-nietes-discussie over de vraag wie er nu gelijk heeft, terwijl het antwoord vaak gewoon in de wet te vinden is. In de wet is bepaald dat u geen boom – die hoger is dan de erfafscheiding – mag planten op 2 meter van de erfgrens, tenzij uw buurman toestemming geeft. Voor een heg is die afstand 50 cm. In een gemeentelijke verordening kan die afstand nog verder worden verkleind. Staat een boom al 20 jaar, dan is er wellicht sprake van verjaring en mag de boom alsnog blijven staan. Ook voor ramen en muuropeningen geldt dat ze niet mogen worden geplaatst op 2 meter van de erfgrens, tenzij uw buurman toestemming geeft. Het is wel toegestaan als er gebruik wordt gemaakt van vaststaande ramen die ondoorzichtig zijn. Het plaatsen van een schutting zorgt ook nogal eens voor problemen. Wilt u een schutting of muur plaatsen op de erfgrens, dan moet uw buurman medewerking verlenen aan de bouw van een erfafscheiding (van 2 meter hoog). De kosten moeten de buren samen dragen. U bent dan wel samen eigenaar. Heeft u al een schutting en hangen takken van de buren over uw erf, dan kunt u uw buurman aanmanen de overhangende takken (binnen een redelijke termijn) te verwijderen. Laat die laatste dat na, dan mag u de overhangende taken eigenhandig verwijderen. Blijken er aan overhangende takken van de buurman nog sappige appels te hangen en die vallen in uw tuin , dan zijn de appels van u. Ook het veroorzaken van hinder is verboden. Het gaat dan veelal om stank, geluid, rook en trillingen. Het lijkt misschien of daarmee snel sprake is van hinder, maar de geldende lijn is natuurlijk wel dat buren van elkaar iets te dulden hebben. Er zijn natuurlijk grenzen aan. Wilt u weten waar de grens ligt of heeft u een geschil met de buren, wij helpen u graag. Neem contact op met mr. drs. Bram Dirkx.  

De ongevallenverzekering

26 september 2018

Veel mensen denken dat een ongevallenverzekering de schade als gevolg van een ongeval zal vergoeden. Helaas dekt een ongevallenverzekering (meestal) niet eventuele schade. Een aansprakelijkheidsverzekering dekt de schade die iemand bij een ander veroorzaakt. Een schadeverzekering vergoedt je eigen schade. De ongevallenverzekering tenslotte dekt niet de toegebrachte of opgelopen schade. Een ongevallenverzekering is niets anders dan de afspraak met een verzekeringsmaatschappij dat u, als u blijvend letsel oploopt, een uitkering krijgt. De hoogte daarvan is meestal van twee factoren afhankelijk, namelijk de hoogte van de verzekerde som en het percentage blijvende invaliditeit. Bij volledig herstel keert een ongevallenverzekering meestal niet uit. Bij blijvend letsel krijgt u niet de volledige verzekerde som betaald maar een percentage daarvan. Hoe ernstiger het letsel des te hoger het percentage. Stel dat u blijvend letsel heeft dat gewaardeerd kan worden met 2% blijvende invaliditeit dan krijgt u bij de meeste verzekeraars 2% van de verzekerde som uitgekeerd. Bij een percentage blijvende invaliditeit van 2% en een verzekerde som van € 25.000,00 betekent dit dus een uitkering van € 500,00. Voor zowel schadeverzekeringen als aansprakelijkheidsverzekeringen geldt over het algemeen dat de kosten voor rechtsbijstand door een letselschadeadvocaat vergoed moeten worden door de desbetreffende verzekeraar. Mocht u bij een ander schade veroorzaken dan kan die persoon dus een letselschadeadvocaat inschakelen. De redelijke kosten daarvan worden dan door uw aansprakelijkheidsverzekeraar vergoed. Als u zelf schade heeft en er is sprake van een schadeverzekering dan vergoeden de meeste verzekeraars de kosten van een letselschadeadvocaat die u zelf inschakelt om u te helpen bij de afwikkeling van de schade. In beide situaties is het dus verstandig om eens vrijblijvend contact op te nemen om de mogelijkheden te bespreken.

Tragisch ongeluk op luchtkussen, wie is aansprakelijk?

5 september 2018

Het verliezen van een kind is een van de grootste nachtmerries voor ouders. Het overkwam de ouders van een vierjarig jongetje. Op oudejaarsdag 2015 viel een het jongetje van een luchtkussen in een binnenspeeltuin. Tijdens het springen viel hij van ongeveer drie meter hoog van de rand van een luchtkussen waarbij hij met zijn hoofd op een met kunstgras bedekte betonnen vloer terecht kwam. Enkele dagen later is hij overleden aan zijn verwondingen. De ouders van het jongetje hebben de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) aansprakelijk gesteld.  Wettelijke regels In de wet staat omschreven dat ieder speeltoestel, voordat het mag worden gebruikt, een veiligheidskeuring moet ondergaan. Bij goedkeuring van het speeltoestel wordt er een goedkeuringscertificaat verstrekt. Daarnaast krijgt het toestel een merk van goedkeuring. Zonder goedkeuringscertificaat mag een speeltoestel niet worden gebruikt of in de handel worden gebracht. De beheerder van het speeltoestel is vervolgens verplicht om er voor te zorgen dat het toestel blijft voldoen aan de wettelijke veiligheidseisen. De NVWA houdt toezicht op de naleving van de regels door de fabrikant van het speeltoestel en op de beheerder van het speeltoestel bij wie het in gebruik is. Onderzoek luchtkussen Onlangs is gebleken dat de val van het jongetje voorkomen had kunnen worden als de NVWA beter toezicht had gehouden. In 2013 heeft de NVWA de bewuste binnenspeeltuin en de aanwezige speeltoestellen gecontroleerd. Onderzoek wijst uit dat de betreffende controle niet voldeed aan de gestelde eisen. Het luchtkussen was niet voorzien van een goede valbeveiliging. Ook ontbraken maatregelen om een mogelijke val te breken. De NVWA heeft dit niet geconstateerd. Op grond van haar eigen beleid had de NVWA na de controle in 2013 het luchtkussen moeten verzegelen en een her-inspectie moeten uitvoeren. Ook had zij de beheerder van de binnenspeeltuin moeten wijzen op zijn verantwoordelijkheid om een veilige speelsituatie in de binnenspeeltuin te creëren. De beheerder was zich  niet bewust van het feit dat zijn binnenspeeltuin niet veilig was voor zijn (jonge) bezoekers. Ook de wettelijk voorgeschreven certificaten van goedkeuring voor de speeltoestellen ontbraken. Erkenning aansprakelijkheid Naar aanleiding van het onderzoek heeft de NVWA de aansprakelijkheid voor de tragische val van het vierjarige jongetje inmiddels erkent. Gratis advies Heeft u ook letselschade opgelopen bij het betreden van een speeltoestel en wilt u graag advies over de mogelijkheden? Neem dan contact op met ons kantoor voor een vrijblijvend en kosteloos eerste adviesgesprek!

Opzettelijke achterhouden van geld!

29 augustus 2018

Het Hof in Den Bosch heeft onlangs moeten oordelen in het volgende geschil tussen twee ex-echtgenoten, die in gemeenschap van goederen waren gehuwd. De vrouw had in de periode vóór het indienen van het verzoek tot echtscheiding steeds geld overgemaakt van de gezamenlijke spaarrekening naar de en-/of rekening. Hiervan had de vrouw in één jaar tijd totaal ruim € 36.000,= in contanten opgenomen.  De man stelde dat de vrouw het geld opzettelijk had verborgen in de door haar in dezelfde periode gehuurde bankkluis. De vrouw verklaarde dat zij door het verdriet van de naderende echtscheiding geld was gaan uitgeven aan leuke dingen en reisjes en dat het geld op was. Bewijs van haar stellingen kon ze evenwel niet leveren. In de wet is bepaald dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verbergt met het oogmerk de ander te benadelen, zijn/haar aandeel in die goederen geheel aan de andere deelgenoot moet betalen. Dit is een zware sanctie en daarom worden er hoge eisen gesteld aan de bewijslast. De man diende te bewijzen dat het geld op de peildatum deel uitmaakte van de gemeenschap en dat de vrouw ook wist dat dit zo was.   De vrouw kon geen enkele verklaring geven voor de opname van ruim € 36.000,= in zo’n korte tijd en ze kon ook geen bewijs leveren van de uitgaven die zij naar haar zeggen hiervan had gedaan. Ook kon ze niet uitleggen waarom zij net in die tijd een kluis was gaan huren. Haar uitleg dat ze hierin haar persoonlijke sieraden wilde bewaren, werd niet geloofd. Het gerechtshof kwam tot het oordeel dat de vrouw het geld heeft opgenomen en achtergehouden met de bedoeling om het buiten de verdeling te houden en zo de man te benadelen. De vrouw moest het totale bedrag van ruim € 36.000,= aan de man terugbetalen. De enige die ze dus had benadeeld was zichzelf. 

Met een vergiet op je hoofd op de paspoortfoto

17 augustus 2018

‘De Kerk van het Vliegend Spaghettimonster’ had een goede titel voor een fantasierijke jeugdfilm kunnen zijn, doch heeft het volgens aanhangers van die kerk te gelden als religie dan wel levensovertuiging. De wereld zou zijn geschapen door een vliegend spaghettimonster. Een van de verplichtingen die op leden van ‘de Kerk’ rust, is het dragen van een vergiet op het hoofd. In deze zaak wilde een burger van Nijmegen een paspoort aanvragen en leverde daarvoor een foto aan, waarop zij stond afgebeeld met een vergiet op haar hoofd. Het paspoort werd haar geweigerd, omdat de foto in strijd zou zijn met art. 28 lid 3 van de Paspoortuitvoeringsregeling. In dat artikel staat dat een pasfoto kan worden geaccepteerd indien de aanvrager heeft aangetoond dat godsdienstige of levensbeschouwelijke redenen zich verzetten tegen het niet bedekken van het hoofd. De aanvraagster stelde nochtans dat zij op grond van haar geloofsovertuiging is gehouden om een vergiet te dragen.In bezwaar en beroep trok mevrouw aan het kortste eind, maar nu heeft ook de hoogste bestuursrechter haar beroep op de godsdienstvrijheid van artikel 6 van de Nederlandse Grondwet (GW) en artikel 9 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) afgewezen. Oordeel van de Afdeling Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster niet aan te merken als een godsdienst en/of levensovertuiging.[1] Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) geldt als voorwaarde voor het aanmerken van een samenstel van opvattingen als godsdienst of levensovertuiging in de zin van artikel 9 EVRM, dat die opvattingen een zeker niveau aan overtuigingskracht, ernst, samenhang en belang bereikt hebben.[2] Volgens de Afdeling voldoet de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster niet aan die criteria. De belangrijke reden daarvoor is ‘het satirische karakter van het pastafarisme’ en de wijze waarop in de leer van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster gevestigde godsdiensten geparodieerd worden. Te denken valt aan religieuze geschriften zoals The Old Pastament en The New Pastament, maar ook de wijze waarop het Paternoster met de nodige ingrediënten is gepersifleerd en de lieflijk opgestekde ‘liever-nietjes’, die volgens de Afdeling een gekscherende variant zijn op de Tien Geboden. De Afdeling stelt in haar uitspraak dat het satirische element niet enkel een bijkomend aspect is, doch zodanig overheerst dat niet voldaan wordt aan de hiervoor beschreven criteria uit de arresten van het EHRM uit 1982, 2013 en 2014. In het bijzonder zou het volgens de Afdeling ontbreken aan ernst, hetgeen zou blijken uit de parodiërende geschriften, en samenhang. Vrijheid van godsdienst Het pastafarisme wordt met verwijzing naar de jurisprudentie bij artikel 9 EVRM afgewezen, maar de Afdeling toetst niet aan de criteria die behoren tot (de jurisprudentie bij) artikel 6 GW en dat is begrijpelijk gelet op het toetsingsverbod van artikel 120 GW. Daar komt bij dat de rechter zich niet graag lijkt te mengen in religieuze geschillen of zich uit wil laten over dogmatische vraagstukken, gelet op de ‘scheiding’ tussen kerk en staat.[3] In 1957 oordeelde de Hoge Raad, kortgezegd, dat het niet de rol van de rechter is om te oordelen over theologische twistpunten, doch dat de interpretatie van het heilige schrift bij de gelovigen zelf ligt.[4] Om voor bescherming in aanmerking te komen moet het gaan om handelingen die naar objectieve maatstaven ‘rechtstreeks uitdrukking geven aan een godsdienst of levensovertuiging.’[5] Later oordeelde de grondwetgever dat de grondwettelijke bescherming van vrijheid van religie, waar in de zaak over de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster een beroep op wordt gedaan, louter mogelijk is als er sprake is van een gedraging die ‘naar objectieve maatstaven een directe uitdrukking geeft aan zijn godsdienst of levensovertuiging.’[6] Indien het niet duidelijk is of een handeling aan te merken is als een religieuze handeling die bescherming geniet, dan moet in beginsel de interpretatie die de religieuze persoon in kwestie geeft worden aanvaard. Die benadering staat ook wel te boek als de zogenaamde interpretatieve terughoudendheid: het is niet aan buitenstaanders – waaronder ook overheidsorganen moeten worden verstaan – is om te oordelen wat er onder een (afwijkende) godsdienst wordt verstaan.[7] Zusters van Sint Walburga De Hoge Raad heeft zich in het verleden weleens gebogen over de interessante vraag of een groepering is aan te merken als kerkgenootschap en de grondwettelijke bescherming moet genieten ten aanzien van de vrijheid van godsdienst. Een van die zaken, die overigens in geen enkel opzicht te vergelijken is met de zaak over de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster, is het befaamde arrest Zusters van Sint Walburga. De vraag die de Hoge Raad moest beantwoorden is de volgende: kunnen de Zusters van Sint Walburg aangemerkt worden als een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap. Zij stelden lid te zijn van de Kerk van Satan, waarbij de godsdienstuitoefening bestond uit het aanbieden betaalde liefde in een theatrale context. De ‘Zusters’ stelden zowaar godsdienstig te zijn. Op grond van artikel 123 Sv was het de politie, buiten gevallen van heterdaad, niet toegestaan om lokalen voor de godsdienstuitoefening tijdens de godsdienstuitoefening te betreden. De Hoge Raad oordeelde dat ‘de activiteiten van Sint Walburga zich niet onderscheiden van die van een gewone sexclub en dat noch bij de betalende bezoekers noch bij de door Sint Walburga als ‘zusters’ aangeduide optredende vrouwen enigerlei religieuze ervaring is waar te nemen.’[8] Rechtspersoonlijkheid De vraag of de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster een godsdienst of levensbeschouwing in de zin van de artikelen 6 GW en 9 EVRM is, is niet alleen relevant voor de godsdienstvrijheid en de daarmee gepaard gaande grondwettelijke bescherming. Het is ook relevant in privaatrechtelijk opzicht, de zogenaamde organisatievrijheid die voortvloeit uit artikel 6 GW, hetgeen onderwerp van discussie was in het hiervoor kort aangehaalde arrest-Zusters van Sint Walburga. In art. 2:2 BW is vastgelegd dat kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, rechtspersoonlijkheid bezitten. Wat een kerkgenootschap is, is in de wettekst zelf niet te lezen. In een arrest uit 1946 oordeelde de Hoge Raad dat het gaat om een organisatie ‘hetwelk zich de gemeenschappelijke gods-vereering van de leden, op den grondslag van gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen, ten doel stelt, uitspraken omtrent de leer, genomen door de daartoe bevoegde organen, ook voor de minderheid bindend zijn, doch- wel, op grond dat in zaken van godsdienst niemand aan kerkelijke regelingen of uitspraken kan worden gebonden, die dat niet wenscht, eischt, dat uittreden uit dat kerkgenootschap alsdan vrij zal staan.’[9] Is er geen sprake van gemeenschappelijke godsverering, religieuze beleving of bezinning, dan is de belijdende organisatie niet aan te merken als kerkgemeenschap.[10] Voordelen kerkgenootschap Het lijkt wellicht symbolisch, wel of geen kerkgenootschap zijn, doch heeft het zijn van geen kerkgenootschap consequenties. Zo zijn onroerende zaken die in hoofdzaak (meer dan 70%) zijn bestemd voor eredienst vrijgesteld van OZB-belasting.[11] Is er sprake van een kerkgebouw zonder openbare eredienst, dan geldt die OZB-vrijstelling overigens niet[12] Ook zijn kerkgenootschappen in bepaalde omstandigheden geen BTW verschuldigd.[13] Daarnaast is een kerkgenootschap op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming bijvoorbeeld ook uitgezonderd ten aanzien van de verwerking van bijzondere persoonsgegevens.[14] Een ander voorbeeld is de financiering van religieuze instellingen (scholen, zorginstellingen etc.) van overheidswege.[15] Resumé Deze zaak is, gelet op de voorgaande ‘voordelen’, natuurlijk veel fundamenteler. De Afdeling lijkt in haar principiële uitspraak wat scherper af te willen bakenen wat een godsdienst c.q. religie is en wat niet. Die gedachte is in het idee van een land waar kerk en staat (de facto) gescheiden zijn, al moet gezegd van een laïcité in Nederland natuurlijk geen sprake is, bijzonder te noemen. Doch is deze benadering mijns inziens niet onconstitutioneel, omdat de Afdeling met deze uitspraak in feite niet treedt in de godsdienstuitoefening (geloofsleer, dogma’s etc.) door leden van ‘de Kerk’, maar meer ingaat op de vraag wat een godsdienst of levensovertuiging in strikt juridische zin is. Het satirische karakter van de ‘heilige geschriften’ van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster en hun visie op christelijke dogma’s en de evolutietheorie geven mijns inziens te sterk, maar vermakelijk, een reactie op bestaande religies weer, dat grondwettelijke bescherming op grond van de vrijheid van religie misschien wat grotesk is. Desalniettemin, en daar is de Afdeling evident in, is er een andere vorm van grondwettelijke bescherming, te weten de vrijheid van meningsuiting, die de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster de ruimte biedt om tegen christelijke dogma’s te ageren. De appelante kreeg geen gelijk van ‘s lands hoogste bestuursrechter, maar overweegt een gang naar het Europees Hof van de Rechten van de Mens. Zij blijft er in ieder geval nog in geloven en dat is natuurlijk haar goed recht. [1] ECLI:NL:RVS:2018:2715, r.o. 9-9.4. [2] ECLI:CE:ECHR:1982:0225JUD0000751176, r.o. 36; ECLI:CE:ECHR:2013:0115JUD004842010, r.o. 82; ECLI:CE:ECHR:2014:0701JUD004383511, r.o. 55. [3] D.J. Elzinga, R. de Lange en H.G. Hoogers, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht / van der Pot, Deventer: Wolter Kluwers 2006, p. 369, 375. [4] ECLI:NL:HR:1957:196. [5] UCV 1985/86, nr. 67, p. 22-23 [6] .C. van Bijsterveld en B.P. Vermeulen, Commentaar op artikel 6 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2018 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 32; Hand. II 1976/77, p. 2118 [7] Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3, p. 29. [8] ECLI:NL:HR:1986:AC9553, r.o. 3. [9] ECLI:NL:1946:92, r.o. 10. [10] Kamerstukken II 1989/90, 17725, nr. 13, p. 7. [11] Artikel 220d Gemeentewet. [12] Zoekresultaat - inzien document ECLI:NL:HR:2016:1901 [13] Artikel 11 lid 1 sub t Wet op de omzetbelasting 1968. [14] Artikel 9 lid 2 onder d AVG. [15] Artikelen 5, 6a en 7 Algemene wet gelijke behandeling.


LAATSTE TWEETS