Vakantie en letselschade
3 juli 2026
Op 26 juni 2026 presenteerde Minister Van Essen het maatregelpakket 'Weer ruimte voor boer, natuur en bouw', het meest ingrijpende stikstofplan sinds het PAS-arrest van 29 mei 2019. Een budget van €20 miljard, een fundamentele systeemwijziging en harde deadlines die vrijwel elke sector raken. In dit artikel loop ik de kernpunten langs, benoem ik de juridische kwetsbaarheden, en geef ik per doelgroep aan wat er nu concreet moet gebeuren en wat er misgaat als je stilzit.
NB1. Het betreft natuurlijk (nog maar) een Kamerbrief; de wetgeving (Spoedwet, AMvB's, Meststoffenwetwijziging) moet nog worden ingediend en aangenomen. De hieronder genoemde normen en deadlines zijn de beoogde waarden; deze kunnen in het wetgevingsproces wellicht nog wijzigen.
De aanleiding: zeven jaar impasse
Sinds de Afdeling bestuursrechtspraak op 29 mei 2019 het PAS vernietigde, zit de vergunningverlening grotendeels op slot. De wettelijke stikstofomgevingswaarden - 40% van het areaal onder de KDW in 2025, 50% in 2030, 74% in 2035 - bleken onhaalbaar. De beoordelingsdrempel in AERIUS van 0,005 mol/ha/jaar werd door de commissie-Hordijk als "schijnzekerheid" gekwalificeerd. Ondertussen wachten 1.448 geverifieerde PAS-melders op legalisatie, liggen woningbouwprojecten stil en missen industriële investeringen hun tijdpad.
Het kabinet trekt nu de conclusie dat het depositiestelsel moet worden vervangen door een emissiestelsel. Dat is juridisch een wezenlijk andere benadering, maar de overgang is mijns inziens niet zonder risico.
Van depositiedoelen naar sectorale emissieplafonds
Als het aan het kabinet ligt verdwijnt de KDW als wettelijke omgevingswaarde. In plaats daarvan komen er dan sectorale emissiereductiedoelen voor 2035: 42–46% ammoniakreductie in de landbouw, 50% in de industrie, 50% NOₓ-reductie in de mobiliteit. De verankering loopt via de 'Spoedwet vervangen omgevingswaarde stikstof'; het wetsvoorstel en ontwerpprogramma worden eind oktober 2026 aan de Kamer aangeboden. Het maatregelpakket wordt vastgelegd in een wettelijk verplicht programma bij die Spoedwet.
Wat verandert er in de plannen materieel? De bewijslast verschuift van projectniveau (depositie op een hectare) naar sectorniveau (emissie binnen een plafond). Maar de Europeesrechtelijke verplichting uit artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn blijft projectgericht. Het bevoegd gezag moet per vergunningaanvraag significante effecten uitsluiten. De verschuiving naar emissiesturing ontslaat niemand van die individuele toets. Het instrument verandert; de Europese maatstaf daarmee natuurlijk niet.
2. De rekenkundige ondergrens
In de plannen van het kabinet wordt in Q4 2027 een wetenschappelijk onderbouwde RKO ingevoerd. Het kabinet streeft daarbij een niveau van 1 mol/ha/jaar na. Dat niveau is wetenschappelijk onderbouwd door prof. Petersen, politiek verankerd via de motie-Holman c.s. (21 december 2023) en door het kabinet in maart 2025 formeel aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegd in een voorlichtingsvraag. Het maatregelpakket van juni 2026 legt het exacte niveau nog niet definitief vast in wetgeving; dat volgt via de Spoedwet en de bijbehorende AMvB.
De beoogde juridische constructie houdt in dat projecten met een depositiebijdrage onder de RKO uitgesloten zijn van de natuurvergunningplicht: zij hebben geen natuurvergunning meer nodig. De verantwoordelijkheid voor deze depositiebijdragen verschuift van de initiatiefnemer naar de overheid.
De wetenschappelijke onderbouwing berust op het expertoordeel van prof. Petersen: onder 1 mol/ha/jaar is een depositiebijdrage niet met voldoende wetenschappelijke zekerheid aan een individuele bron te relateren. De Landsadvocaat bevestigt dat dit primair een wetenschappelijke vraag is, niet een juridische.
Voorwaarde is een voldoende en geborgd pakket aanvullende beheersmaatregelen, om te voorkomen dat de cumulatie van sub-RKO-projecten lokaal tot verslechtering leidt. Deze maatregelen zijn aanvullend op het bredere pakket en de zonering; het kabinet kijkt onder meer naar ruimtelijke sturing op het voorkomen van emissiestijging.
Het kabinet benoemt ook een terugvalscenario: als de beheersmaatregelen eind 2027 onvoldoende geborgd blijken, wordt ingezet op gebiedsspecifieke drempelwaarden. Dat is een wezenlijk minder ambitieus alternatief - gebiedsspecifieke drempels helpen minder projecten dan een generieke RKO op het beoogde niveau van 1 mol - maar het toont dat het kabinet rekening houdt met het scenario dat de generieke RKO niet op de beoogde wijze invoerbaar is.
Gebiedsspecifieke drempels zijn juridisch overigens beter te onderbouwen dan een generieke grens, omdat zij recht doen aan het gebiedsgerichte karakter van artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn: per Natura 2000-gebied wordt beoordeeld of significante gevolgen kunnen optreden. Maar zij vergen per gebied een ecologische onderbouwing, reeds uitgevoerde beheersmaatregelen en een cumulatieberekening; als terugvalscenario biedt dit geen onmiddellijke verlichting maar een nieuw onderbouwingstraject.
Wat blijft, is het risico dat je loopt in een juridische procedure bij de bestuursrechter. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft zich nog niet uitgesproken over de RKO. De Afdeling advisering heeft op verzoek van het kabinet al voorlichting gegeven; de Kamerbrief van juni 2026 vermeldt de uitkomst daarvan niet expliciet, maar de facto werkt het kabinet door op basis van het Petersen-oordeel. De Landsadvocaat adviseert om initiatiefnemers te waarschuwen dat gebruik van de RKO voor eigen risico is zolang de Afdeling bestuursrechtspraak niet heeft geoordeeld.
Het verschil met het PAS is wezenlijk: het PAS berustte op een programmatische passende beoordeling die depositieruimte 'uitdeelde' aan individuele projecten op basis van maatregelen die nog gerealiseerd moesten worden. De RKO berust op een ander fundament: het wetenschappelijke standpunt dat depositiebijdragen onder het beoogde drempelniveau niet met voldoende zekerheid aan een individuele bron zijn te relateren. Als de Afdeling bestuursrechtspraak dat standpunt niet deelt, hoeft het gevolg niet identiek te zijn aan het PAS-arrest: denkbaar is ook een gedeeltelijke validatie (RKO geldig op een lager niveau, of met aanvullende gebiedsspecifieke voorwaarden). Maar wie vóór rechterlijke validatie bouwt op de RKO, doet er verstandig aan een terugvalscenario in te bouwen.
Nb2. In Duitsland heeft de hoogste bestuursrechter eerder een systeem van stikstofdrempelwaarden goedgekeurd onder de Habitatrichtlijn, waarbij deposities onder 0,3 kg N/ha/jaar als niet-toerekenbaar aan een individueel project worden beschouwd; eenzelfde type redenering als aan de Nederlandse RKO ten grondslag ligt.
3. Het "18 december-gat"
Op 18 december 2024 oordeelde de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2024:4923) dat intern salderen niet meer mag worden betrokken bij de vraag of een vergunning nodig is; alleen nog bij de vraag of een vergunning kan worden verleend. Het gevolg: projecten die voorheen vergunningvrij waren (op basis van een referentiesituatie), zijn nu vergunningplichtig.
Tegelijkertijd is de RKO er pas in Q4 2027. Dat creëert een overgangsperiode van minstens anderhalf jaar waarin de vergunningplicht is uitgebreid maar de RKO er nog niet is. Het kabinet erkent dit en wijst op een snellere provinciale route: door gezamenlijk en tegelijkertijd provinciale gebiedsverordeningen aan te passen kan ruimtelijk worden gestuurd, ook voordat het Rijk dit in een AMvB heeft vastgelegd. Of die provinciale route snel genoeg gerealiseerd wordt, is de vraag. Tot die tijd geldt voor projecten met enige depositie dat een passende beoordeling noodzakelijk is, met alle vertraging van dien.
4. Bedrijfsspecifieke normen en grondgebondenheid
In het voorstel krijgen melkveehouders een afrekenbare norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht per jaar in 2035. De internetconsultatie die van start gaat, gaat mede over die normhoogte; het definitieve niveau staat nog niet vast. Hoe zij die norm halen is vrij. Daarnaast komt een beoogde grondgebondenheidsnorm van 2,6 GVE per hectare via wijziging van de Meststoffenwet, met een ingroeipad (tussenstappen 2030 en 2032, eindnorm 2035). Samenwerkingsovereenkomsten met akkerbouwers binnen 25 kilometer tellen mee.
De eigendomsrechtelijke toets onder artikel 1 Eerste Protocol EVRM is de juridische lakmoesproef. Uit de fosfaatrechten-jurisprudentie (HR 21 december 2018) volgt dat productiebegrenzende maatregelen de fair balance-toets op regelniveau kunnen doorstaan bij voldoende voorzienbaarheid, een ingroeipad en flankerend beleid. Het kabinet is voornemens €215 miljoen in te zetten voor flankerend beleid bij de grondgebondenheidsnorm; het pakket flankerende maatregelen wordt nog nader uitgewerkt. Op individueel niveau - met name intensieve melkveebedrijven zonder grondpositie op zand- en lössgrond - blijft het risico van een disproportionele last bestaan. De ultieme remedie bij niet-halen van de doelen in 2035 is een generieke korting op productierechten, maar uitsluitend voor bedrijven in sectoren die hun sectorale emissieplafond overschrijden; het kabinet beziet daarbij de mogelijkheid te differentiëren voor koplopers die op dat moment aantoonbaar al voldoen aan de bedrijfsspecifieke emissienorm voor 2035.
5. Zonering (provincierisico)
Rond 85 Natura 2000-gebieden komen zones van 500 meter; rond 15 gebieden zones van 1.000 meter. Gebieden krijgen tot 1 januari 2028 de kans voor een eigen aanpak; daarna treden dwingende Rijksregels in die januari 2027 worden gepubliceerd.
Het onderbelichte risico is de positie van de provincies. Het hele pakket vergt intensieve provinciale medewerking: zonering, gebiedsprocessen, RKO-toepassing, PAS-melders-begeleiding. De Landsadvocaat waarschuwt expliciet dat wanneer één of meer provincies de RKO niet toepassen, dit bij de rechter wordt uitgelegd als twijfel aan de wetenschappelijke onderbouwing. Het risico van een lappendeken - sommige provincies werken mee, andere niet - is materieel.
Nb3. De Vbr (€2,75 miljard) waarmee bedrijven in zones vrijwillig kunnen stoppen, wacht nog op goedkeuring door de Europese Commissie.
6. PAS-melders
Het Programma Maatwerk PAS-melders biedt een persoonlijke aanpak met een wettelijke deadline: op grond van artikel 22.21 Omgevingswet moeten alle PAS-melders vóór 1 maart 2028 een plan hebben ingediend voor het brengen van hun situatie naar legaliteit. De daadwerkelijke implementatie van dat plan mag doorlopen tot 31 december 2030. De Afdeling oordeelde op 28 februari 2024 dat bijzondere omstandigheden het afzien van handhaving kunnen rechtvaardigen, mits het bevoegd gezag een redelijk evenwicht aantoont tussen het belang van de PAS-melder en het natuurbelang.
Het kabinet merkt stikstofruimte uit de Srv en MGA-1 aan als natuurmaatregel (niet als mitigatieruimte voor vergunningen), waardoor het additionaliteitsvereiste niet speelt bij de handhavingsafweging. Het kabinet verbindt aan de Afdeling-uitspraken van 28 februari 2024 de conclusie dat de additionaliteitstoets geldt voor extern salderen bij vergunningverlening, maar niet wanneer maatregelen worden ingezet als onderbouwing om af te zien van handhaving. De Afdeling heeft dit niet met zoveel woorden overwogen; het is de juridische lijn die het Programma Maatwerk daarop bouwt.
De uitvoeringscijfers dwingen tot realisme. De Lbv-regelingen tonen 51 van 1.016 aanvragen volledig afgerond. De SEB-prognose voor de bouw haalt 48-52% waar 60% was beoogd. Als het bredere pakket aan bronmaatregelen niet op tempo levert, ondermijnt dat mijns inziens het vertrouwen in de programmatische onderbouwing waarop het hele systeem - inclusief de handhavingsafweging bij PAS-melders - uiteindelijk rust.
7. Staatssteunprocedure
De Vrijwillige beëindigingsregeling (Vbr, €2,75 miljard) moet door de Europese Commissie worden goedgekeurd. De eerdere ervaring met de Lbv-plus - waar de staatssteunprocedure tot vertraging leidde - is een reëel risico. Voor bedrijven in de zones die willen stoppen vóór 2035 is de Vbr het enige instrument met substantieel budget. Zolang de Commissie niet akkoord is, hebben zij die optie niet.
8. Kaderrichtlijn Water als aanvullend risico
Het maatregelpakket adresseert niet alleen stikstof maar ook waterkwaliteit: "kwetsbare watergebieden" vormen een aparte categorie binnen de zonering en de 85% graslandverplichting op uitspoelingsgevoelige gronden is mede KRW-gemotiveerd. Dat is niet toevallig. De Kaderrichtlijn Water vereist dat Nederland uiterlijk 22 december 2027 een goede ecologische toestand bereikt voor alle waterlichamen. Na twee verlengingen van elk zes jaar is een derde verlenging onder de huidige richtlijntekst niet meer mogelijk.
Het Hof van Justitie bevestigde in het Weser-arrest (C-461/13) – voor de liefhebber: Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland eV tegen Bundesrepublik Deutschland (ECLI:EU:C:2015:433) - dat het verslechteringsverbod rechtstreeks doorwerkt bij vergunningverlening: goedkeuring moet worden geweigerd wanneer een project achteruitgang van een kwaliteitselement kan teweegbrengen. Anders dan bij stikstof - waar het kabinet nu een wetenschappelijke ondergrens introduceert - ontbreekt voor water een vergelijkbaar instrument dat de cumulatie van kleine bijdragen buiten de vergunningplicht plaatst.
De KRW-systematiek is weliswaar anders dan de Habitatrichtlijn (stroomgebiedsbeheersplannen versus projectgerichte vergunningverlening), en de juridische consequenties na 2027 zijn nog niet uitgekristalliseerd. Maar het risico is materieel: bedrijven die stikstof emitteren, veroorzaken in de regel ook nutriëntenuitspoeling. Het maatregelpakket erkent dit met de watergebiedencategorie, maar een programmatische oplossing op het niveau van de RKO ontbreekt voor water. Het verdient aandacht bij investeringsbeslissingen in uitspoelingsgevoelige gebieden.
Wat nu te doen (en wat mogelijk misgaat bij stilzitten)
De internetconsultatie voor de Omgevingswetwijziging ten behoeve van de Natuurherstelverordening is 26 juni 2026 gestart. De consultaties voor de grondgebondenheidswet en de emissienormen volgen later: respectievelijk eind 2026 en naar verwachting Q3 2027. Hieronder per doelgroep de concrete actiemomenten.
De actiepunten hieronder zijn denkrichtingen op basis van het maatregelpakket zoals nu gepresenteerd, niet uitputtend en geen vervanging van een bedrijfsspecifieke analyse. Hieronder per doelgroep de concrete actiemomenten.
Agrarische ondernemers
Wellicht nu al (Q3 2026): Dien zienswijzen in op de internetconsultaties emissienormen en grondgebondenheid zodra die starten. De normhoogte (0,164 kg NH₃/fosfaatrecht), het niveau van de GVE/ha-norm (2,6) en het ingroeipad (tussenstappen 2030 en 2032) worden nu bepaald (dit zijn een aantal suggesties); wie niet reageert, accepteert mogelijk de norm zoals die komt.
Vóór 1 januari 2027: Maak een bedrijfsscan op de bedrijfsspecifieke emissienorm én de 2,6 GVE/ha-grondgebondenheidsnorm. Bereken of het bedrijf in 2035 compliant is, welk ingroeipad nodig is, en welke investeringen of extensivering dat vergt. Bedrijven op uitspoelingsgevoelige gronden (zand en löss): neem ook de 85% grasland/rustgewassenverplichting en de KRW-wateropgave mee in de scan.
Vóór 1 januari 2028 (bedrijven in zones): Wellicht is het een wenselijk om samen met gebiedspartners een eigen aanpak te formuleren. Wie dat nalaat, valt mogelijk onder de dwingende Rijksregels die in januari 2027 worden gepubliceerd en uiterlijk 1 januari 2035 in werking treden.
PAS-melders (wellicht nu al): Neem sowieso actief deel aan het Programma Maatwerk. De zaakbegeleiding is beschikbaar; de structurele oplossingen lopen via een omgevingsvergunning, een eerdere referentiesituatie, vergunningvrijheid of definitieve beëindiging, met innovatie en extensivering als onderliggende instrumenten. Wie niet meewerkt, riskeert de bescherming van de bijzondere-omstandigheden-lijn te verliezen: het bevoegd gezag kan het "redelijk evenwicht" dan niet langer in uw voordeel motiveren.
Potentieel risico bij stilzitten: Wie het ingroeipad negeert, krijgt in 2035 (mogelijk) te maken met de ultieme remedie (generieke korting productierechten) zonder differentiatie als koploper. Wie als PAS-melder niet meewerkt, riskeert dat een handhavingsverzoek niet meer kan worden afgewezen.
Voorbeeld: Neem een melkveehouder op zandgrond, 3,2 GVE/ha, binnen 500 meter van een Natura 2000-gebied. Die ondernemer raakt in 2035 aan vijf normen tegelijk: de emissienorm (0,164 kg NH₃/fosfaatrecht), de grondgebondenheidsnorm (2,6 GVE/ha en in de zone mogelijk een aanvullende, lagere veebezettingsnorm), de zoneringsregels (verlaagde mestplaatsingsruimte, beperkingen op gewasbescherming en kunstmest), de graslandverplichting (85% op uitspoelingsgevoelige grond), en - na december 2027 - mogelijk het KRW-verslechteringsverbod voor het nabijgelegen waterlichaam. Wie die samenloop niet tijdig in kaart brengt, ontdekt pas in 2028 dat het bedrijf op meerdere fronten niet-compliant is.
Projectontwikkelaars en bouwers
Wellicht nu al: Anticiperen bij lopende vergunningaanvragen op de 18 december-uitspraak. Intern salderen is niet meer vergunningvrij, dat behoeft geen toelichting; de voortoets is fundamenteel gewijzigd. Projecten die vóór 18 december 2024 op basis van een referentiesituatie vergunningvrij leken, zijn (nu) mogelijk vergunningplichtig.
Q4 2027 (bij RKO-invoering): Projecten met een depositiebijdrage onder de RKO - het kabinet streeft naar 1 mol/ha/jaar, formeel voorgelegd aan de RvS in maart 2025 - worden dan uitgesloten van de natuurvergunningplicht. Maar tot die tijd geldt het "18 december-gat". Bouw ook een terugvalscenario in: als de RKO na rechterlijke toetsing niet in de beoogde vorm standhoudt, kunnen verleende vrijstellingen kwetsbaar zijn. Het kabinet biedt als terugval gebiedsspecifieke drempelwaarden, maar die helpen minder projecten dan een generieke RKO.
Potentieel risico bij stilzitten: Projecten die doorpakken zonder passende beoordeling riskeren een vernietigbare vergunning. Projecten die wachten tot de RKO er is, verliezen anderhalf jaar.
Industrie
Wellicht nu al: Kennisnemen van de 50% NH₃-reductiedoelstelling voor 2035 en de 50% NOₓ-reductie voor mobiliteit. De NEC-richtlijn verplicht Nederland al tot 21% NH₃-reductie per 2030 (ten opzichte van 2005); de sectorale plafonds uit het maatregelpakket gaan daar bovenuit. Het kabinet zet voor de industrie in op bovenwettelijke emissiereductie via een tenderregeling (€125 miljoen); voor de mobiliteit wordt geïntensiveerd op het programma Schoon en Emissieloos Bouwen (eveneens €125 miljoen). Wie als eerste investeert, claimt mogelijk (indien beschikbaar) als eerste subsidiemiddelen.
Vóór Q4 2027: Monitor of de RKO ook voor industriële projecten de vergunningverlening ontsluit. De huidige AERIUS-rekenafstand van 25 km beperkt het aantal relevante Natura 2000-gebieden al aanzienlijk. Toets ook of bedrijfsactiviteiten nutriëntenlozing veroorzaken in waterlichamen die de KRW-doelen niet halen: na december 2027 is dat een aanvullend aandachtspunt bij uitbreiding of wijziging.
Potentieel risico bij stilzitten: Wie niet tijdig investeert, riskeert een wettelijk emissieplafond dat tot productiebeperking leidt.
Adviseurs en financiers
Wellicht nu al: Integreer de vijf hoofdlijnen in due diligence en financieringsvoorwaarden. De samenhang stikstof-klimaat-water-dierwaardigheid maakt dat een bedrijf dat op één parameter compliant is, op een andere kan falen. Betrek ook de Uitgebreide Keten Verantwoordelijkheid (UKV): ketenpartijen (supermarkten, verwerkers) moeten vóór 1 april 2027 harde afspraken maken om de vraag naar biologische producten te vergroten. Lukt dat niet, dan volgt wetgeving per 1 januari 2029. Financiers van verwerkende industrie en retail moeten inschatten wat dat betekent voor het verdienmodel van hun klanten.
Potentieel risico bij stilzitten: Wie de integraliteit van het pakket niet meeneemt in financieringsbeslissingen, onderschat mogelijk het risico dat een bedrijf dat vandaag rendabel lijkt, in 2028 of 2035 niet meer aan de gecombineerde normen voldoet.
Slotsom
Dit maatregelpakket is het meest concrete handelingsperspectief dat de overheid in zeven jaar heeft geboden. Het is ambitieus, samenhangend en op onderdelen juridisch kwetsbaar. De RKO kan een doorbraak zijn, maar is pas juridisch hard na een onherroepelijke uitspraak van de Afdeling. De provincies zijn essentieel - maar hun medewerking is niet gegarandeerd. De uitvoering moet versnellen - maar de cijfers uit eerdere regelingen geven daar vooralsnog geen vertrouwen in.
Wie nu niet meedoet - aan de consultaties, aan de gebiedsprocessen, aan het PMP - mist wellicht het moment waarop de juridische architectuur van het komende decennium wordt bepaald.
NB4. In een volgend verdiepingsartikel vergelijk ik de Nederlandse RKO met de Duitse Bagatellschwelle en het Vlaamse significantiekader en waarom die vergelijking relevant is voor de rechterlijke toetsing die er vast en zeker gaat komen.
NB 5. Deze analyse is gebaseerd op de door het kabinet op 26 juni openbaar gemaakte stukken en betreft een generieke inschatting van de juridische kansen en risico's; het is geen individueel advies en vervangt niet de beoordeling van specifieke situaties.
Vragen? Neem contact op!
mr. drs. Bram Dirkx - Advocaat-partner bij Van der Putt Advocaten (sectie Omgeving & Overheid)